Gedicht op zondagmorgen 9 januari 2011 (over 'Wijsheid is meer dan kracht')
Wijsheid
is 't ontvangen Woord
dat ge hebt van God gehoord.
Wijsheid
zijn de staande standen
hoewel vragen in ons branden
Wijsheid
ziet die Hand; doorboord,
wandelt wijs en ongestoord.
Wijsheid
bidt en blijft verwachten
handelt niet uit eigen krachten
Wijsheid
staat op vaste Rots,
laat verdwijnen alle trots.
Wijsheid
ontvangt uit 's Heeren Hand
heeft geen kracht, maar houdt toch stand
NME
Gedicht op Oudejaarsavond 2010 (de preek ging over Prediker 3)
Weduwe
We liepen zoveel jaren eensgezind
Het pad, dat U ons wees door ’t aardse leven.
Nu werd de stopstreep op zijn weg geschreven.
En ik zoek rond, tot ik mijn weg weer vind.
U hebt zoveel in hem geschonken, Heer.
We mochten een gelukkig leven leiden,
Met heel veel vreugd, maar ook met zware tijden;
Maar daarin zochten wij U meer en meer.
Nu sta ‘k alleen, mijn hart is leeg en moe.
En toch: ik weet, U zult mij nooit verlaten.
Maar ‘k zou zo graag nog even met hem praten….
Ik moet weer verder, maar ik weet niet hóe.
Ik weet niet hóe. Maar ‘k weet met zekerheid,
dat U, mijn Gids, ook nú de weg zult wijzen.
Of ‘k lange tijd, of nog slechts kort moet reizen:
Ik geef mij over aan Uw wijs beleid.
Zie als een Vader op Uw kind terneer.
Ontferm U over mij, schenk mij Uw vrede,
Tot ‘k eenmaal óók Uw rust mag binnentreden.
Ik leg mijn leven in Uw handen, Heer.
Uit: ‘Leven van dag tot dag’.
Jelly Verwaal
Gedicht aan het einde van de preek op 24-12-2010 (Eerste Kerstdag)
Stad zonder hart
Een enge lege leegte
In ’t midden ‘t gapend gat
Geheven handen naar den hoge
terugverlangend …… wat hem is ge’jat’
Zadkine etaleert op Leuvehaven
De gebombardeerde binnenstad
Bewoners die ‘t leven er bij gaven
De tirannie sloeg hier het gapend gat
De Zadkine is de Rotterdammer eigen
De volksmond zegt: ‘Jan… met het gat’
Roepend in de reeds weer bloeiende stad
Herinnering aan het lege gapende gat
De smekende jat’ als stad zonder hart
beeld van ’t mensonterende gebeuren
zonder hart en longen afgemat
Schreeuwt het uit: wie zal mij waardig keuren
‘t Gat in Augustus’ wereldrijk
Door telling nu weer dicht geschreven?
Verheven wereldheerser steeds verrijk’ ?
Onderdrukte schepsels zonder hart en leven?
Twee jonge gaande mensen
De stoet van onbehuisden opgejaagd
Maria…………
ademend in Gods hartewensen
Vullend leven onder ‘t hart wat God behaagd
barend ‘t kindje Jezus in het harteloze gat
van de levenloze mensenstad
De kribbe in de woestenij
Van ‘s wereldheersers dwingelandij
Gods koninkrijk
in Augustus’ wereldrijk
Zijn dienende helende liefde
Die het gat geheel doorkliefde
Met hartenbloed verbond
Hij zich met ‘t verwoeste wereldrond
Het gapend gat nu reeds geheeld
voor wie het nú met Jezus deelt
Door kribbe kruis waar Hij ‘t volbracht
ademend leven voor het nageslacht
Vulde Hij Jans lege hand compleet
Voorgoed voorbij dat enge lege leed
God grijpt nooit mis
Jouw uitgestoken angstig lege hand
Hij schrijft geschiedenis
Met Zijn doorboorde Hand
In ‘s wereldheersers beschreven land
Gedicht aan het einde van de preek op zondag 27-12-2009. De tekst was: Johannes 1:9-13
Jezus, het doorgrondend Licht
Mag ik wand’len voor Zijn aangezicht
Hij kwam in mijne duistere wereld
Maar ik……verdrong Hem met geweld
Hij overwon door Zijn liefelijk Licht
De kracht daarvan, waar ik voor zwicht’
Hij doorlichtte mijn ganse leven
Waardoor ik het duistere op moest geven
In Hem ben ik opnieuw geboren
Aanvankelijk….totaal verloren
Een kind dat in Zijn naam geloofd
En draagt die Naam voor op mijn hoofd
Herboren…
Niet uit mijn vader
Noch uit mijn moeder
Maar uit die getrouwe Mensenhoeder
Gedicht aan het einde van de kerstpreek op 25-12-09. Het thema van de preek was: 'Horen, zien en prijzen', naar aanleiding van de tekst: Lukas 2: 15 en 20
Stilte in mijn hoofd
Stilte in mijn ziel
De Sprekende belooft
Genade, als ik horend kniel
In de nacht van mijn bestaan
Een licht der heerlijkheid
Rechtstreek bij onze God vandaan
Een mogelijke onmogelijkheid
Van God te horen krijgen
Grote blijdschap kondigt Hij aan
Alle stemmen moet zwijgen
Ja, rechtstreeks bij God vandaan
Geboren Zaligmaker
Dat is het Evangeliewoord
Verkondigd en gehoord
Zie, nu ‘k in Bethlehem nader
Ziende het levend Kind
In een voerbak voor de dieren
Waar ik mijn heil in vind
Mag ik daar kerstfeest vieren?
Grote blijdschap in mijn ziel
Wanneer ik bij de kribbe kniel
Wondere verwondering
Waarvan ik prijzend zing
Horen zien en prijzen
Vanuit de stilte van mijn hart
Laat ’s Heeren lof ten hemel reizen
Weg alle zielesmart.
Gedicht bij de bediening van het Heilig Avondmaal op 6 december 2009. De tekst vor de prediking: Nehemia 8:13
Verstaan hetgeen je eet en drinkt
Leeg van binnen
van hart en zinnen
Toch Hém verlangend; zó gezind
Toen ging al ’t volk dan heen
Om ’t eten en te drinken
Zijn roep deed hen in blijdschap treeën
Om in Zijn liefde te verzinken.
Verdrinken wij soms in verdriet?
door smart boven vreugd' te vermeêren
Ik spreek nu reeds: "Bedroeft u niet.
De blijdschap is des Heeren!"
Verstaande 't diepe van Jezus’ heil
Bekend gemaakt aan ‘t hart.
Dát geeft de vreugde zonder peil!
Eet en drink ondanks de smart.
Zijn tafel toebereid
Met aangename spijzen
Al ’t volk is toegewijd
Hem met gezang te prijzen
Gedicht van Ds. Doolaard bij de voorbereiding van het Heilig Avondmaal op de eerste Adventszondag op 29 november 2009. Tekst voor de prediking: Nehemia 8:10
Advent,een blijde roep Vreugde met een traan
Uit het diep innerlijk vandaan
Roemt een vreugdevol gemoed
Advent, een droevig heden
De lege leegte van ons hart
Vol van benauwde kreten
Nog niet geheelde smart
Een vergenoegd verlangen
Hij sprak: Ik ben de HEER’ uw God
Verbinding bij de Waterpoort
Zijn Stem door ’t zaligend Woord
Advent, verlangend naar ontmoeting
Verwachtend ’t al van Hem
Ontroerende verzadiging
Op ’t horen van Zijn stem
Blijdschap… want Zijn sterkte
Werd zwakte…Zijn liefde werd de dood
Hij stond op…en ‘t duister bemerkte
Dat Hij ons ‘d overwinning bood
Hartsverlangen
O Heer, schenk mij vertrouwen in Uw woorden,
wanneer de angst mij menigmaal omringt
en ongeloof en twijfel steeds verstoorden
waar mijne ziel des and'ren daags van zingt.
Wilt Gij in mij 't verlangen doen herleven.
Stil schreiend' om Uw lieve Heerlijkheid,
zo teer gewekt in mij. Maak mij bereid!
Werk door Uw Geest in mij Uw Eigen Leven!
N.M.E.
Moede en mat
Is een ieder niet moe...
van 't vlieden en vluchten?
Hoor je niet menigeen
dagelijks zuchten?
Haastend en jagend
naar wat trekt hier beneên?
Is de mensheid niet moe...
van 't denken en wenken?
Is men niet werkelijk
bezig met krenken
van eigen gemoed
in 't algemeen?
Is een ieder niet moe...
van 't jagen en jachten ?
Veel harten vervuld
met vragen en klachten?
O, wáár moet het met
deze wereld nog heen?
Waar is men dan
toch henen vergleden?
IJlings verdringen
wij ons naar beneden....
Zoekend naar goud en naar goed
Maar toch spreekt daar God
door Zijn Geest in 't gemoed;
“Eén is er Die
's mensen pijn wil bekleden!
Voor moed' en belasten
gaf Mijn Zoon Zijn bloed.”
Leer nu
onder zuchten
tot Jézus te vluchten.
Zijn vrucht is 't gehemelte zoet;
Hij zal alle klachten
en wonden verzachten.
voor hen die hun zonden
bij Golgotha brachten.
Hij heelt en geneest
hunne smart.
Met Zijn Licht
in het zicht
wordt men moede....
noch mat
Verlost
“Wat ligt ge daar in zilte mist verstoken.
Gevangen reeds van uw ontvang'nis af?
Hoort nu het Woord, in liefde lang gesproken:
“Wanneer zult gij , als vlinder losgebroken
blij fladderen dichtbij Mijn Herdersstaf?”
Daar vliegt zij heen, het kopje opgeheven.
Gedragen door de zoele Zomerwind.
Het zachte Zonlicht doet haar blijde beven,
trillende blijdschap ligt met stille smart verweven;
Vergeven is haar schuld;
zij werd van eeuwigheid bemind....
N.M.E.
Soms zou ik willen vluchten
Soms zou ik willen vluchten, zomaar...hier vandaan.
Terwijl ik toch niet weet waar ik dan heen moet gaan.
Ver weg, een vlucht, van alles om me heen
naar een schuilplaats; maar hier op aarde is er geen.
Soms zou ik willen vluchten, zomaar ...heel ver weg.
Vluchten, terwijl ik m'n problemen dan weer achter leg.
Soms zou ik willen vluchten uit een bodemloze put.
Maar dan weer denk ik: “Ach, waarom, 'k zit hier toch goed beschut?”
Dan blijf ik daar maar zitten en kijk niet vooruit.
Maar steeds naar het verleden, steeds weer achteruit.
Soms wil ik blijven zitten in die daagse sleur.
Zitten, terwijl ik dan om m'n verleden treur.
Soms zou ik willen vluchten naar een Schuilplaats in de buurt.
Dan zou ik willen vragen:” God, heeft U dit zo bestuurt?”
Ja, sóms zou ik willen rènnen, maar nergens hier is 't goed,
want met dingen van 't verleden moet ik de toekomst tegemoet.
Soms zou ik willen vluchten naar Eén , Die naar me hoort.
Vluchten dan naar Hem, Die zegt:”Gooi alles overboord.”
Ik weet van heel jouw leven. Ik weet ook van verdriet.
Bij Mij kun je echt schuilen. Al denk je vaak van niet.”
Soms zou ik willen vluchten, ver weg, maar toch dichtbij
Vluchten, ja, naar Eén, Die zegt:”Kom maar, kom maar bij Mij.”
N.M.E.
Gedicht ter afsluiting van de preek op biddag 11 maart 2009 n.a.v. Lukaus 12:13-31 met het thema ‘Rijk zijn in jezelf, of rijk zijn in God’:
‘Bekeerde begeerte’
M’n begeerte bekeerde
Toen ik het leerde
Aan Zijn voeten
Ging ik het zoeken
Hij bekeerde mijn begeerte
Het werd m’n verlangen
’t Van Hem te ontvangen
De prekende lelies
Niet wat ik kies
Maar het is Zijn zorg
Die van Mijn Borg
Niet mijn verdorven ik
Waar ik en mijn naaste in stik
Maar ik aan het kruis
Dan zal mijn huis
Voorspoedig gaan
Ook door de woeste baan
Van economische recessie
En duivelse agressie
Al creëert de crisis laaiend vuur
Het is slechts van korte duur
Biddag vieren in eeuwig perspectief
Is wat de bekeerde ziel belief
Begerig naar een land van melk en honing
Waar Christus is, mijn eeuw’ge Koning
Preek over Mattheüs 20 vers 20-28 op zondag 22 februari 2009:
O Zebedeus zonen
Waar willen jullie nu komen
Moeder, moet je daar nu steeds van dromen
Dat uw zonen zitten op tronen
Een aan Jezus rechterhand
De andere aan zijn linkerkant
Wil je Zijn zeggingskracht gebruiken
Dat je zonen het lijden gaan ontduiken
Of heb je Jezus stem niet goed gehoord
En gaat het om de eer die jou bekoort
De macht van t Godsrijk is van andere aard
niet met heersen noch met macht gepaard
De grootste Lij(ei)der is hij Die dient
Niet slechts zich zelf, maar de andre ziend
Hij is de grootste in Gods koninkrijk
Die als de minste voor die ander lijdt
Met óns dienen gaat het altijd mis
Zalig, dat Jezus Dienaar is
De Dienaar betaalt de prijs
Daar kan ik niet aan voldoen,
op mijn eigen wijs.
Gedicht van Ds. Doolaard bij de bediening van het Heilig Avondmaal op 6 december 2009. De tekst voor de prediking: Nehemia 8:13